|
Inzicht in
Parasjat Pinchas 5768
De functie
van een Leider
Toen Mosjé Rabbeinoe Hasjem vroeg (in Bamidbar 27:16) een
leider over het volk aan te stellen, die hem (Mosjé) zou opvolgen,
antwoordde Hasjem hem: „Voordat je Mij commandeert een leider aan te
stellen, moet je eerst Mijn kinderen omtrent Mij commanderen” (Jalkoet
Sjim’oni Bamidbar). En Mosjé vervolgde met het Joodse
volk te instruëren aangaande de wetten van de dagelijkse offers en
die van de feestdagen.
Om
deze Midrasj te begrijpen moeten we eerst begrijpen wat de functie
van een Tora-leider is. Toen het Joodse volk vreesde dat Mosjé niet
terug zou komen van de berg Sinai, smeekten zij Aharon om voor hen
een leider te maken, die voor hen uit zou gaan. Zij beschouwden een
leider als iemand die „voor gaat” en voor elkaar krijgt wat zijn
volgelingen niet kunnen. Dus toen Mosjé later terug kwam dan zij
berekend hadden, voelden zij zich hulpeloos en vroegen zij om een
nieuwe leider.
Maar toen Mosjé aan Hasjem vroeg om een leider aan te stellen die
hem zou vervangen, beschreef hij de leider als iemand „die voor hen
uit zal gaan, en die hen naar buiten brengt en hen binnen brengt.”
De leider moest niet „vóór” het volk uitlopen, maar hij moest in
voortdurend contact met hen staan. Hij zou hen kunnen helpen in- en
uit te gaan door als een model en als een gids en leraar voor hen te
fungeren, maar het daadwerkelijk in- en uitgaan zouden zij zelf
moeten doen.
De
Gemara (Bava Batra 116a) leert ons dat wanneer een familielid
ziek is, men naar een Tora-geleerde moet gaan en hem om genade
smeken voor het zieke familielid. De Meïri legt uit dat men van de
Geleerde leert hoe men moet bidden, zodat men zelf om genade kan
vragen voor het zieke familielid. Het ideaal is niet dat de Geleerde
in jouw plaats bidt, maar dat men van de Geleerde leert hoe men moet
bidden.
Omdat Jehosjoea Mosjé’s meest toegewijde volgeling was, werd hij
gekozen om hem op te volgen. Jehosjoea maakte zichzelf volledig
ondergeschikt aan Mosjé, en verliet zijn tent geen ogenblik. De
Gemara vertelt ons: „Het gezicht van Mosjé was als de zon, dat van
Jehosjoea als de maan. O wee voor zulk een schaamte en schande.”
Jehosjoea weerspiegelde trouw het licht van Mosjé, zoals de maan het
licht van de zon reflecteert en daarmee ieder die dat niet doet, te
schande zet. Jehosjoea toonde dat een Joodse leider niet het volk
vervangt, maar dat hij voor hen een voorbeeld is, dat zij moeten
volgen. Omdat hij dit beter begreep dan ieder ander van zijn
tijdgenoten, werd hij tot opvolger van Mosjé gekozen.
Een Joodse leider heeft nog een andere belangrijke functie, namelijk
het verenigen van het volk voor een gemeenschappelijke zaak. Korach
beweerde dat als het hele volk heilig is, er geen behoefte is aan
een leider die over hen regeert. Hij presenteerde zijn zaak met de
vergelijking van het talliet dat geheel uit techelet
bestaat, en dat, volgens hem, daarom geen
tsietsiet nodig heeft. Hij beweerde dat als iemand zich perfect
gedraagt, zodat heel zijn kleding, zijn eigenschappen en zijn eer
vertegenwoordigd worden door de techelet van G-ds troon, dan
de tsietsiet, die ons moeten herinneren aan de mitswot,
overbodig zijn. Zo ook zou een leider die het volk moet overtuigen
en naar het juiste doel moet leiden, onnodig zijn voor hen die
perfect zijn.
Korach zag niet de gemeenschappelijke aard van Klal Jisraël,
waarvan de perfectie alleen bereikt kan worden door een
gemeenschappelijk inspanning, waarbij iedere Jood zijn unieke rol
speelt. De leider vervult de rol van een dirigent van een orkest,
die iedere speler dirigeert, zodat het hele orkest harmonisch
samenspeelt. Zelfs iemand wiens middot perfect zijn, heeft
een leider nodig die hem kan tonen hoe hij kan functioneren en zijn
partij kan spelen in harmonie met de gemeenschap.
De
tsietsiet helpen ons denken aan al de 613 mitswot, die alleen
de gemeenschap in zijn geheel kan uitvoeren, niet het beperkte
aantal mitswot dat alleen een enkeling kan doen.
Hasjem zei tegen Mosjé: „Voordat Ik een leider aanstel om jou op te
volgen, moet jij eerst het volk instruëren betreffende de offers.”
Een gemeenschap moet eerst besef hebben van het belang en de
noodzaak van het gezamelijk streven naar een gemeenschappelijk doel
voordat een leider kan worden aangesteld. Net zoals de korbanot
van een enkeling alleen betekenis hebben voor het streven van die
persoon om dichter bij Hasjem te komen, zo ook vereisen de
gemeenschapsoffers het collectieve streven van Klal Jisraël
naar eenheid en harmonie in de dienst voor Hasjem. De Kohen is nodig
om deze eenheid te bereiken, maar hij kan niet in de plaats treden
van het streven van het volk zelf. Daarom moesten ook de
vertegenwoordigers van de Levieten en van de Stammen aanwezig zijn
bij het brengen van de offers.
De grootheid van onze leiders is evenredig aan het kaliber van hen
die hen volgen. Dat we op een niveau mogen zijn om autoriteit te
appriciëren en onze leiders trachten te evenaren, opdat zij zullen
zijn als de leiders van vroeger, culminerend in onze uiteindelijke
leider, Masjiach Tsidkeinoe.
|