|
Inzicht in
Parasjat Pinchas 5765
„…Hij heeft bekano [in
zijn ijver] Mijn woede, kinati [Mijn jaloezie] op hen,
afgewend van de Israëlieten” (Bamidbar 25:11).
Rasji vertaalt het woord
kina, de stam van bekano en kinati, met ‘wraak.’
En hij voegt daaraan toe dat elke uitdrukking van kina in
Tora ‘zich afgunstig gedragen’ betekent, zich op te winden, zich op
te warmen, om een zaak te wreken, zoals het Franse woord
embrasement dat ‘vuur, gloed’ betekent [in de betekenis van „in
vuur en vlam geraken voor iets].
Rasji leert ons hier een
diepzinnige les. Het feit dat alle woorden kina in Tora
„wraak”, een „rekening vereffenen” betekenen, houdt in, dat zelfs
als de een jaloers is op een ander, bijvoorbeeld als de buurman een
mooiere auto heeft of als zijn gras groener is, dan is dat niet
alleen maar jaloezie, maar het is tevens wraak. Hoe moeten wij dit
opvatten? Wat heeft mijn buurman mij gedaan waarvoor ik wraak zou
willen nemen?
Het Grote woordenboek
van Dale zegt dat
iemand die jaloers is, pijn en verdriet voelt omdat een ander iets
heeft wat hij zelf graag wil hebben. Maar hoe veranderen dergelijke
gevoelens in wraakgevoelens?
HaRav
Matitiahoe Solomon sjlita stelt dat, ten einde Rasji’s
commentaar te begrijpen, het nodig is om wat dieper te graven in de
menselijke psyche, om de aard van een persoon die afgunstig is op
een ander te analyseren.
Wat is de motivatie van deze
jaloezie en hoe komt het tot het punt van afgunst [afgunst is het
stadium van Jaloezie waarbij men het voorwerp van de jaloezie de
ander misgunt]?
Eerst moeten wij rekening
houden met de anomalie die achter deze karaktertrek van jaloezie
staat. Bij iedere andere vorm van lust en verlangen zoekt men
bevrediging van zijn behoefte. Wanneer die behoefte niet bevredigt
wordt, is iemand verstoord. Zijn droefheid heeft echter alleen
betrekking op datgene wat hij niet kon krijgen. Zodra zijn behoefte
bevredigd is, keert zijn stemming weer terug tot normaal. Dat is
niet zo bij de karaktertrek van jaloezie. Wanneer iemand jaloers is
op iemand anders of op iets dat een ander bezit, dan wordt de
aandacht van de jaloezie onmiddellijk van het voorwerp op de persoon
die het bezit gericht. Hij begint het hem te misgunnen en dan te
haten – zelfs nadat hij eenzelfde voorwerp verkregen heeft. De haat
die aan zijn eigendomsverkrijging voorafging, blijft nog steeds
overheersen. Met andere woorden, jaloezie ontwikkelt zich in een
aantal stappen.
Eerst ziet iemand een voorwerp
dat een ander in zijn bezit heeft en dat hijzelf wil hebben. Hij
zegt bij zichzelf: „Mijn vriend heeft iets dat ik niet heb.” Dan
zegt hij: „Ik verdien dat voorwerp ook te bezitten. Hij is niet
beter dan ik.” In de derde fase heeft hij het gevoel dat hij er meer
recht op heeft dan zijn vriend. Hij begint zich nu in te denken dat
in werkelijkheid dat voorwerp van hem hoort te zijn en niet van zijn
vriend. Hij vraagt zich nu af: „Wat doet hij met mijn voorwerp?” Ten
slotte wordt hij zo overweldig door zijn verbeelding, dat hij kwaad
wordt op zijn vriend dat die ‘zijn’ voorwerp ‘gestolen’ heeft. „Wat
hij heeft is in feite van mij!” Hij wordt woedend op die ander die
„eens zijn vriend was” en hij zoekt naar wraak.
Dit is de betekenis van wat
Rasji schrijft: het woord kina, dat in het algemeen vertaald
wordt met jaloezie, bevat een overweldigende kracht van
wraakgevoelens in zich. Zo is de menselijke aard.
HaRav Solomon merkt op dat,
sommige mensen helaas een heel leven lang twistziek en vol
wrokgevoelens zijn. Zij willen aan de top staan; ze zoeken publieke
erkenning. Als iemand anders de publieke erkenning krijgt waarvan
zij vinden dat zij er recht op hebben, dan worden zij geagiteerd en
gedeprimeerd. Dat leidt tot lasjon hara [kwaadsprekerij],
zich neerbuigend uitlaten over anderen en laster. Dat is hun wraak.
Dat sust hun boosheid. Niet alleen spreken zij lasjon hara,
zij willen er ook graag naar luisteren – zolang als het de persoon,
die het object van hun afgunst is, maar omlaag haalt en vernedert.
Afgunst is de wortel van lasjon hara.
Dit is geen nieuw verschijnsel.
En deze theorie is ook niet nieuw. Het enige nieuwe eraan is
waarschijnlijk dat iemand de moed had om zich erover uit te spreken,
de aandacht te vestigen op een ziekte, die de plaag van onze
hedendaagse maatschappij is. Jaloezie, haat, laster, wraak – het
zijn allen uitingen van onze gevoelens als iemand anders iets heeft
dat wijzelf begeren. Het komt nimmer bij ons op dat wij het
misschien niet verdienen, of dat wij er niet hard genoeg voor
gewerkt hebben. Niemand bekijkt het ooit van die kant. Wij hebben
altijd het gevoel dat òf alles van ons ìs, of alles van ons hoort te
zijn. Wij gaan ons recht halen en vragen niet of wij daar recht op
hebben. Als iemand anders iets heeft waarvan wij voelen dat wij dat
zouden moeten hebben, dan hebben zij dat dus van ons afgenomen.
Bestaat er een genezing voor
deze ziekte, die ‘afgunst’ genoemd wordt? Orechot Chaïm l’HaRosj
schrijft dat afgunst een ziekte is, waarvoor geen genezing bestaat.
De Mesillat Jesjariem schrijft dat afgunst het resultaat is van
onwetendheid en dwaasheid. De afgunstige persoon wint er niets bij;
degene op wie hij afgunstig is, verliest er niets bij; de enige die
erbij verliest is degene die afgunstig is. Afgunst wordt nog veel
erger wanneer men ziet dat een concurrent meer succes heeft.
Afgunst is dodelijk; het is irrationeel. Maar dat feit schijnt er
niemand van te weerhouden.
De Or Jechezkel verklaart de
ziekte, die afgunst genoemd wordt, door uit te leggen dat de
persoon in kwestie zich niet realiseert dat hij ziek is. De afgunst
vreet hem op, totdat hij vervuld van wraakgevoelens is. Is er nog
hoop voor hem?
Er is nog een kans voor genezing – geloof, vertrouwen in de
Almachtige. Wanneer iemand zich het idee inprent dat alles wat hij
ooit zal bezitten, van Hasjem is en dat niemand ooit van hem iets
kan afnemen wat rechtmatig zijn eigendom is, dan is hij genezen van
zijn afgunst. En inderdaad, wie afgunstig is op een ander, is, zoals
HaRav Chaïm Vital zt”l het zegt, een moreed beHajem,
iemand die tegen de Almachtige rebelleert. Hij vecht de beslissingen
van Hasjem aan met betrekking tot wie wat zal krijgen en wie het
niet krijgt. De Rambam schrijft dat in de dagen van de Masjiach er
geen oorlogen, geen honger, geen jaloezie en geen afgunst meer
zullen zijn. Er zal een overvloed aan goederen zijn, en de mensen
zal het aan niets meer ontbreken. Zij zullen zich nog maar met één
enkele inspanning bezighouden: om Hasjem te kennen en een dieper
begrip te krijgen van zijn grootheid. Hoe interessant is het, zegt
HaRav Solomon, dat de enige tikoen [reparatie, verbetering,
herstel], die nodig is in de harten van het Joodse volk, om een
periode te brengen waarin we kunnen garanderen dat de wereld gevuld
zal zijn met een grondige kennis van de Almachtige, de uitroeiing
van de afgunst uit ons midden is. Helaas ontglipt dat „enige ding”
ons voortdurend.
|