|
Inzicht in
Parasjat Pinchas 5763
Mosjé sprak tot Hasjem als
volgt: „Moge Hasjem, de G‑d van de geesten van alle vlees een man
aanstellen over de gemeente, die vóór hen zal uittrekken en vóór
hen zal binnengaan, en die hen zal uitvoeren en die hen zal
binnenbrengen, opdat de gemeente van Hasjem niet zal zijn als
kleinvee, dat geen herder heeft.”
(Bamidbar 27:15-17)
Nadat G-d herhaalt had dat Mosjé zelf het Beloofde Land niet zou
binnengaan, keerde Mosjé’s aandacht zich op de toekomst van zijn
volk. Bij zijn verzoek om een opvolger aan te wijzen, noemde hij
een aantal eigenschappen op waaraan, volgens hem die opvolger zou
moeten voldoen. De leider zou ‘voor hen uit moeten gaan’
– hen leiden in de strijd, zoals Mosjé gedaan had in de oorlogen
tegen Sichon en Og en zoals Jehosjoea gedaan had in de oorlog
tegen Amalek – en niet in de achterhoede blijven hangen, daarbij
de risico’s
voor anderen overlatend (Sifrei 139). ‘Hij moet hen
uitvoeren
en hij moet hen binnenbrengen’,
dat wil zeggen dat zijn autoriteit zodanig moet zijn dat zijn
bevelen door iedereen zullen worden opgevolgd, en de Israëlieten
niet uiteen zullen vallen door interne verdeling en verschillende
meningen
[Zie
Rasji op 31:7, die schrijft: Mosjè zei tot Jehosjoea: De oudsten
in deze generatie zullen met je zijn, alles moet gebeuren in
overeenstemming met hun gevoelens en hun raad. Maar de Heilige,
geloofd zijn Hij, zei tegen Jehosjoea:
„want
jij zult de Israëlieten brengen naar het land dat Ik hen
toegezworen heb
(Dewariem 31:23)].
Ten tweede, zijn persoonlijke verdienste moet voldoende zijn om
hen van rampspoed te redden en hen succes te brengen (Sifrei,
t.p).
Deze passage doet een paar vragen opkomen:
1.
Waarom noemde Mosjé G‑d ‘de G-d van de geesten van alle vlees’? De
enige plaats waar hij G‑d ook zo aanspreekt is wanneer hij met
succes pleit bij Hasjem om de Israëlieten, die niet bij de opstand
van Korach betrokken waren, te sparen:
„G‑d,
de G‑d van de geesten van alle vlees, zou één mens zondigen en U
wordt kwaad op de gehele gemeenschap?”
(Bamidbar 16:22)
2.
G‑d zegt tegen Mosjé dat hij Jehosjoea als leider van het volk moet
aanstellen na zijn dood (Bamidbar 28:18). Was het niet logisch dat
Jehosjoea, de leerling van Mosjé (Sjemot 33:11) de voor de hand
liggende keuze zou zijn? Hij stond dichterbij Mosjé en was beter
bekend met zijn manier van leven dan ieder ander. Hij was de enige
met veertig jaar training, rechtstreeks onder de leider zelf.
Laten wij bij het beantwoorden van deze vragen eens kijken naar het
principe dat achter de midrasj (Tanchoema Korach 7) staat, die het
pleidooi van Mosjé verklaart: G‑d is niet als de mens. Wanneer een
koning van vlees en bloed een opstand moet onderdrukken, dan heeft
hij geen andere keuze dan de onschuldigen met de schuldigen te
straffen, want hij weet niet zeker op wie hij de blaam moet werpen.
Maar G‑d die de mens geschapen heeft en zijn meest intieme gedachten
kent, straft geen onschuldigen, samen met de schuldigen. Hij kan
uitzoeken wie straf verdienen en wie niet. Hij kent ieders karakter
en wat ieder bij zichzelf denkt en overweegt. Hij weet wie werkelijk
waardig is en capabel voor het leiderschap, ook al heeft hij dat nog
niet gedemonstreerd.
„De
dingen zijn niet altijd zoals zij schijnen”,
zegt de Talmoed (in Pesachiem 50a) in een ander verband.
R.Josef, de zoon van R. Josjoea ben Levi was ziek en viel in coma.
Toen hij herstelde, vroeg zijn vader hem:
„Wat
heb je gezien?”
Hij antwoordde:
„Ik
zag een wereld die het ongekeerde was van deze wereld; zij die aan
de top staan, waren onderop en omgekeerd.”
Hij zei tegen hem:
„Mijn
zoon, je hebt een gecorrigeerde wereld gezien. Maar wat was onze
positie daar, die van de Tora-studenten?”
Hij antwoordde:
„Wij
zijn daar dezelfde als hier. Ik hoorde zeggen: ‘Gelukkig is degene
die hier komt, in het bezit van
[Tora-]
geleerdheid,’
en verder hoorde ik zeggen dat martelaren een eminente positie
innemen, die niemand kan evenaren.”
Dus de meest waardige mensen zijn niet altijd diegenen die het
meest opvallen. Het is best mogelijk dat bepaalde individuen, om in
hedendaagse terminologie te spreken, met zwarte hoeden en zwarte
jassen en grote knopen op hun rug (zonder dat hun volgelingen dat
weten) verder afstaan van wat Tora werkelijk van ons in het leven
verwacht en dat tegelijker tijd er, onbekend bij de rest van de
wereld, er werkende individuen zijn met het fysiek en uiterlijk van
een worstelaar, die dieper en waarachtiger volgens Tora leven en
meer te bieden hebben in leiderschap. En dan is er nog een derde
type: het soort dat volgens de hoogste niveau’s
van Tora-leren leeft en Mitswot houdt in alle stilte, en
onopvallend, maar die niet de natuurlijke charisma heeft en de
persoonlijke relaties op de juiste plaats, die hem de kans geven om
zijn krachten waar te maken in het ware leiderschap. Kortom, wij
kennen de mensen van de buitenkant, maar wat van binnen zit, daar
weten wij weinig van. Daarom kunnen wij niet zeker zijn wie er in de
ogen van Hasjem het meest waardig is en, wat dat betreft, wie op de
lijst thuishoren van de meest
eminente Talmidei Chachamiem.
Dit principe is terug te vinden in het verhaal van Sjmoeël (Samuel)
die David tot koning over Israël zalft. De Almachtige had tegen
Sjmoeël gezegd naar het huis van Jesse in Bethlehem te gaan,
„want
Ik heb daar tussen zijn zonen een passende persoonlijkheid gezien
voor een koning’
(Sam. I, 16:1). Toen Eliav, de oudste zoon voor hem stond zei
Sjmoeël dat hij zeker de door G-d uitgekozene was. Echter, het
antwoord van G-d was:
„Kijk
niet naar het uiterlijk en afmeting, want ik heb hem verworpen.
Want het (d.w.z. de ware persoonlijkheid) is niet zoals een mens die
ziet – de mens ziet met zijn ogen, maar G-d ziet in het hart )
Sjmoeël I, 16:7).
David, de waardige opvolger van de monarchie, was op dat moment de
schapen aan het hoeden en werd als te onbelangrijk beschouwd om
zelfs maar voor Sjmoeël te verschijnen. Maar toen hij voor Sjmoeël
stond zij Hasjem tot Sjmoeël:
„Sta
op! Zalf hem, want hij is de man! (id. 16:12)
Dit was de angst van Mosjé. Hij kende en respecteerde Jehosjoea,
zijn beschermeling, en hij had hem veertig jaar opgeleid voor zijn
rol als opvolger. Maar de toekomst van het volk kwam vóór de
loyaliteit aan zijn leerling. Misschien dat er daarbuiten, tussen
de tienduizenden, iemand anders was, die hij niet kende, maar die
niettemin beter geschikt was als leider, zonder dat dat onder zijn
aandacht gebracht was. G‑d verhoede dat zijn protectie een verkeerd
leiderschap veroorzaakte! Sjmoeël noemde zichzelf de
„ziener”
(Sam. I, 9:19) maar zag Eliav aan voor de toekomstige koning. Mosjé
was de grootste profeet aller tijden (Dew. 34:10) maar hij wist dat
hij niet alle innerlijke gedachten van de mensen kende. En hij was
daarom niet zeker wie de meest geschikte leider zou zijn om het volk
het Land binnen te brengen. Daarom verzocht hij G‑d om de zaak te
onderzoeken en in de harten van alle mensen te kijken, zodat Hij de
meest geschikte leider zou vinden.
Moge de
Almachtige op soortgelijke wijze ons voorzien
van een geestelijk leiderschap van voldoende hoog gehalte, opdat
alle Joden en alle Joodse groeperingen hem zullen erkennen als hun
leider.
Jacob Salomon
|