|
141.
Het is een kohen verboden zich te
verontreinigen aan een dode,
zoals er geschreven
staat (Wajjikra 21:1): „Geen zal zich verontreinigen aan
een dode van zijn volk.” Het geldt zowel voor het aanraken van een
dode, als voor het vormen van een „tent” over de dode [door zich
over hem te buigen], voor het dragen van een dode of voor het
aanraken van diens graf. De wet is hetzelfde voor een lijk als
voor onderdelen van een lijk, zoals bloed. Als iemand zich
moedwillig verontreinigd heeft aan een dood lichaam of
lichaamsdeel van een dode, dan verdient hij gegeseld te worden.
Maar aan een dode, voor wie hij de godsdienstige plicht heeft om
voor zijn begrafenis te zorgen [een verlaten lichaam waar niemand
voor zorgt], daaraan mag hij zich verontreinigen.
Het geldt overal en altijd, voor mannelijke
Kohaniem die waardig zijn om
priesterdienst te doen (maar niet die zich ontheiligd hebben [door
bijvoorbeeld met een voor hen verboden vrouw te trouwen]) en niet
voor vrouwen. |