|
De aard van G-d
De aard van G-d is één van de weinige gebieden
van abstract Joods geloof, waarover weinig discussies of
meningsver-schillen bestaan.
G-d bestaat
Het feit dat G-d betaat is bijna algemeen geaccepteerd. Een bewijs is niet
nodig, en wordt zelden geboden. De Tora
begint met de uitspraak: „In het begin,
schiep G-d ...” Er wordt niet verteld wie
G-d is of hoe Hij werd geschapen.
In het algemeen ziet het Jodendom het bestaan van G-d als een
noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van het universum. Het
bestaan van het universum is een voldoende bewijs van het bestaan van G-d.
G-d is Eén
Eén van de primaire uitdrukkingen van het Joodse geloof, welke tweemaal
per dag in het gebed gezegd wordt, is het
Sjema, dat begint met de woorden:
„Hoor, Israël: Hasjem
is onze G-d, Hasjem is Eén.” Deze eenvoudige
verklaring omvat een aantal verschillende ideeën:
-
Er is
slechts één G-d. Geen ander naam deel aan het scheppingswerk.
-
G-d is een eenkeid. Hij is een enkele,
volledige ondeelbare entiteit. Hij kan niet in delen worden opgesplitst of
worden beschreven door middel van eigenschappen. Iedere poging om
eigenschappen aan G-d toe te schijven is slechts een gebrekkige poging van
de mens om het oneindige te begrijpen.
-
G-d is
het enige wezen die wij prijzen. Het Sjema kan ook vertaald worden met: "Hasjem is
onze G-d, Hasjem is alleen," hetgeen betekent dat geen ander onze G-d is,
en dat wij tot niemand anders bidden.
G-d is de Schepper van alles
Alles in het universum werd door G-d geschapen en door G-d alleen. Het
Jodendom verwerpt volledig de dualisitsche idee dat het kwaad geschapen
werd door Satan of door enige andere godheid. Alles is afkomstig van G-d.
Zoals Jesaja zegt: „Ik ben Hasjwem, en er is
geen andere. Ik heb het licht en de duisternis geschapen, Ik maak vrede en
en heb het kwaad geschapen.
Ik ben Hasjem, die al deze dingen doet.” (Jes. 45:6-7).
G-d is onlichamelijk
Hoewel op verschillende plaatsen in de Bijbel en in de
Talmoed sprake is van lichaams-delen van G-d (de
hand van G-d, de vleugels van G-d, etc.)
en er over G-d in anthropo-morfische termen gesproken wordt (G-d wandelde in
de Tuin van Eden, G-d legt tefillien, etc.),
beweert het Jodendom dat G-d geen lichaam heeft. Iedere referentie aan G-ds
lichaam is niets anders dan een figuurlijke wijze van spreken, een manier
om G-ds handelingen meer begrijpelijk te maken voor wezens die in een
materiële wereld leven. Een groot deel van de „Gids
voor de verdoolde” van Rambam
is gewijd aan de verklaring van deze anthropomorfische
referenties, om te bewijzen dat zij slechts figuurlijk begrepen moeten
worden.
Het is ons absoluut verboden G-d in enige fysieke vorm af te beelden. Dat
wordt be-schouwd als afgoderij. De zonde van het Gouden Kalf was niet
zozeer dat het volk een andere godheid koos, maar dat zij trachtten G-d in
een fysieke vorm voor te stellen.
G-d is noch manlijk noch vrouwlijk
Dit volgt direct uit het feit dat G-d geen fysieke vorm heeft. G-d heeft
geen lichaam en het idee dat Hij de lichaamskenmerken van een man of vrouw
zou hebben is dus ronduit absurd. Wij spreken weliswaar over G-d in de
mannelijke vorm, maar dat is uitsluitend voor het gemak. Het Hebreeuws
kent geen onzijdige vorm (en in het Nederlands wordt iets dat onzijdig is
ook met „zijn”
aangeduid, terwijl het woord ‘god’
in het Nederlands mannelijk is, in tegenstelling tot het woord godin).
Hoewel wij doorgaans over G-d in de mannelijke vorm spreken, wordt Hij
soms aangeduid in vrouwelijke termen. De Sjechina, de manifestatie
van
G-ds aanwezigheid die het univer-sum vult, wordt in vrouwelijke woorden
uitgedrukt,
en het woord Sjechina is een vrouwelijk woord.
G-d is alom aanwezig
G-d is overal op ieder moment. Hij vult het universum en is daarbuiten en
oveziet het. Hij is ons altijd nabij om door ons in tijd van nood te
worden aangeroepen, en Hij ziet alles wat
wij doen. Hiermee nouw verboden is het idee dat G-d universeel is.
Hij is niet alleen de G-d van de Joden; Hij is de G-d van alle volken.
G-d is Almachtig
G-d kan alles. Er wordt gezegd dat het enige dat buiten zijn macht ligt,
de vrees voor Hem is; dat wil zeggen: wij hebben een
vrije wil,
en Hij kan ons niet dwingen te doen wat Hij wil. Dit geloof in G-ds
almacht is pijnlijk getest gedurende de vele vervolgingen van de Joden,
maar wij hebben altijd volgehouden dat G-d een reden heeft om deze dingen
toe te laten, ondanks dat wij, met ons beperkt verstandelijk vermogen niet
in staat zijn de reden ervan in te zien.
G-d is Alwetend
G-d weet alles, verleden, heden en toekomst. Hij kent onze gedachten.
G-d is Eeuwig
G-d staat boven en buiten de tijd. Hij heeft geen begin en geen eind. Hij
was er altijd en zal er altijd zijn, om Zijn beloften gestand te toen.
Toen Mozes naar G-ds naam vroeg, ant-woordde
Hij: „Ehejeh asjer ehejeh.”
Deze woorden worden in het algemeen vertaald met: „Ik
ben wie Ik ben” maar het woord
‘ehejeh’
kan zowel tegenwoordige als toekomstige tijd betekenen, en dan betekent
het: „Ik ben wie Ik zal zijn” of
„Ik zal zijn wat Ik zal zijn.”
Deze dubbele betekenis van deze woorden wordt dikwijls geïnterpreteerd als
een aanwij-zing voor G-ds eeuwigheid.
G-d is zowel rechtvaardig als barmhartig
Er wordt wel beweerd dat de Joodse godsdienst er een is van strikte
rechtspraak, waaraan geen menselijk wezen kan voldoen. Er zou geen sprake
zijn van barmhartigheid of genade. Dit is een ernstige miskenning
van het Joodse geloof.
Het Jodendom heeft altijd beweerd dat G-ds rechtspraak getemperd wordt
door genade, waarbij de twee kwaliteiten perfect met elkaar in evenwicht
zijn. Van de twee Namen van G-d die
het meest voorkomen in de Bijbel, is één een aanduiding voor Zijn
eigenschap van rechtvaardigheid, en de ander voor Zijn eigenschap van
genade. De beide namen werden samen gebruikt in het Scheppings-verhaal, om
aan te duiden dat de wereld geschapen werd zowel met rechtvaardigheid als
genade.
G-d is Heilig en volmaakt
Eénm van de meest voorkomende namen voor G-d in de na-Bijblese periode is
„Ha-Kadosj, Baroech Hoe,”
de Heilige, gezegend (of geprezen) is Hij.
Avinoe Malkeinoe: G-d is onze Vader en onze Koning
Het Jopdendom gelooft dat wij allen G-ds kinderen zijn. Een algemeen
bekend stuk uit de Joodse liturgie
beschrijft G-d herhaaldelijk als ‘Avinoe
Malkeinoe,’ onze Vader, onze Koning. De Talmoed
leert dat er drie
partners zijn bij de vorming van ieder menselijk individu: de moeder en
vader,
die voor de fysieke vormgeving zorgen, en G-d, Die zorgt voor de vorming
van de ziel, de persoonlijkheid en de intelligentie. Er is gezegd dat
één van de grootste gitften van Hasjem aan de mensheid de wetenschap is,
dat wij Zijn kinderen zijn en dat wij geschapen
zijn naar zijn evenbeeld.
|